Trois madrigaux (2012)
Musique : Vic Nees
Texte d'après Guido Gezelle
Traduction : Paul Claes
1. Bouche de rose – Roozenmond
2. Le nid des mésanges - Het meezennestje
3. Ma mère - Moederken
Création mondiale, le 25 octobre 2014, Eglise Saint-Jacques-sur-Coudenberg, Bruxelles
par le Chœur de chambre Ishango dirigé par Thierry Lequenne
------------------------
Roozenmond
o Schoone roozenmond,
en buiten alle grenzen
van lieflijkheid, die, eerst
ontloken, op mij lacht,
uw leven is te broos
en moet, och arme, slenzen
eer morgen hier is. Op!
herleeft in mijn gedacht!
Daar zult ge, vrij en blij,
van verwen onbedorven,
weérspiegeld in den grond
van mijn geheugen staan,
en leven: zij uw' stam,
uw' wortel, al, gestorven;
zij de ongestuime wind
gaan spelen met uw' blaân!
Bouche de rose
ô Rose, bouche aimable
et infiniment belle,
ô fleur, qui, fraîchement
éclose, me souris,
du jour au lendemain
ta vie, hélas, trop frêle
va se faner. Surgis
dans mon rêve et revis!
Là, libre et bienheureuse,
virginale de teinte,
tu te réfléchiras,
vivante, dans mon cœur,
malgré que ta racine,
ta tige soit éteinte,
que le vent furieux
folâtre avec ta fleur!
Het meezennestje
Een meezennestje is uitgebroken,
dat, in den wulgentronk
gedoken,
met vijftien eikes blonk;
ze zitten in den boom te spelen,
tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,
met velen
en ‘k lach mij, ‘k lach mij, ‘k lach mij bijkans krom.
Het meezenmoêrtje komt getrouwig,
komt op den lauwen noen,
al blauwig
en geluwachtig groen;
het brengt hun dit en dat, om te azen,
tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,
ze razen,
en kruipen, vlug, het meezennestjen in.
Het meezenvaârtje zit - de looveren
verduiken ‘t voor ‘t gestraal -
te tooveren,
al in de meezentaal;
daar vliegen ze, al med' een, te zamen,
tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,
en, amen,
het meezennestje is weêrom ijele en uit.
Le nid des mésanges
Les mésanges voient leur nichée
au fond du saule creux
cachée,
où sont éclos quinze œufs;
dans les branches tous se pourchassent,
volant de haut en bas, par-ci, par-là,
ils passent,
moi, je m'esclaffe et je ris aux éclats.
La mère mésange bien sage
dans le tiède midi,
plumage
bleu, de jaune verdi,
apporte à sa progéniture,
par-ci, par-là, de haut en bas de la
pâture;
tous regagnent le nid en bas.
Le père, que l'épais feuillage
abrite de ses rayons,
ramage
dans son charmant jargon;
voilà la famille qui monte,
par-là, par-ci, des bas en haut, voici
le conte
du nouveau nid des mésanges fini.
Moederken
‘t En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.
Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
‘t en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.
o Moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.
Ma mère
Je n'ai de toi
point
de trace, point
d'image,
ma mère, aucun
portrait ne m'est
resté de ton
visage
Aucun dessin,
aucun cliché,
aucun travail
de pierre,
sinon le seul
reflet laissé
en moi par toi,
ma mère
Que ce reflet
ne trouve pas
indigne ma
demeure,
que pieusement
il vive en moi,
et pieusement
y meure.
Информация по комментариям в разработке